Ze heeft
een fout gemaakt. Een beginnersfout. Zij, de Ervarene, is erin getrapt. Met ogen die kunnen denken en een verstand dat kan zien. Eén nietig moment van onoplettendheid
blijkt nu nefast.
Ze heeft tegen de man die ze graag ziet, gezegd dat ze hem graag ziet.
En
daarbovenop heeft ze er nog achterna gegooid dat ze goed met hem kan praten.
Ze is nog
wat blijven haperen, maar het was al te laat. Hij draaide zich om en viel in slaap.
Haar zeskoppige jury zit nu op een rij tegenover haar en kijkt haar vertwijfeld
aan. Alle zes drinken ze thee en kraantjeswater. Drie van hen houden hun handen
krampachtig rond hun stoelleuning geklemd en de jongste bladert zenuwachtig in
een lijvig boek. De oudere juryleden bekijken haar met grote donkere ogen.
Lange tijd
zeggen ze niets.
Ze zwijgen en staren haar aan.
Dan gooien ze de vragen naar haar toe.
Hoe is ze zo stom kunnen zijn?
Hoe heeft ze zoiets durven zeggen?
Zoiets zeggen is toch alleen veilig bij iemand die je niét zo graag ziet?
En de gevolgen, die zal ze zelf mogen dragen.
Uiteindelijk slaat de jongste het lijvig boek dicht en kondigt aan dat er geen
remedie bestaat. Maar een straf,
die is er wel. En die zal ze de volgende weken aan den lijve ondervinden. Of waarschijnlijk
net niet meer aan den lijve.
Zij zit alleen tegenover hen aan de andere kant van de tafel en probeert nu een
koffie te bestellen. Het is druk in de zaak en de ober schiet haar wederom
voorbij. ‘Een koffie, zwart’, roept ze nog. Misschien heeft hij het gehoord.
De zes kijken haar gespannen aan. Waarschijnlijk wachten ze op iets dat zij nu
te zeggen heeft, wachten ze op haàr visie op de feiten. Maar zij heeft
geen visie op de feiten.
Zij ziet
alleen mist tegenover haar en een brede oneindige tafel die haar van de zes scheidt
tot in de eeuwigheid. Plots zet
de ober een zwarte koffie neer. En wat melk. Bedachtzaam neemt ze een slok en dan weet ze het. Er bestaan
twee kampen bij de mens: er zijn zij die koffie drinken, en dan zijn er de
anderen die dat niet doen.
Méer valt hierover niet te zeggen.