
Ooit heb ik eens zo lang op iemand gewacht, dat ik na een tijdje iets wilde doen om hem te laten komen. Hem contacteren kwam niet eens in me op. Eerst begon ik mijn huis op te ruimen en toen het helemaal leeg en proper was, begon ik het te vullen. Het aanrecht kwam vol groenten te liggen, alle kleuren door elkaar. Ik zag al dat mijn communicatie verwarrend was. Het fruit hing ik in trossen aan het plafond, alle vissen zwommen verder in de groentebak. Mijn keuken werd een rariteitenkabinet, maar ik zorgde ervoor dat ik alles netjes hield. Eerst kwamen de herfstgroenten aan de beurt, die kon ik drogen, pekelen en zo langer bewaren. Ik werkte maanden lang en de gerechten stapelden zich op, af en toe nodigde ik een voorbijganger uit om opnieuw plaats te maken voor het volgende gerecht. Ik was zo onverdroten bezig dat ik de ochtend de nacht niet zag begroeten, seizoenen slopen binnen en gingen weer weg, ongemerkt. Op een stille avond werd ik plots een beetje moe, ik had lang gewerkt en mezelf niet veel rust gegund. Ik zou nu moeten pauzeren, dus ik ging zitten aan de oude keukentafel. Voor mij stond een glas, halfleeg, daarnaast een kopje. Ik bleef staren, minutenlang, tot ik besefte dat hier een mens was geweest. Ik hoefde niet meer op hem te wachten.
No comments:
Post a Comment